Je bent hier:
Sociale dilemma's
Kiezen tussen persoonlijk en gezamenlijk belang
Roos Vonk*
Waar mensen in groepen samenleven en -werken ontstaan sociale dilemma’s: individuen moeten kiezen tussen persoonlijk en collectief belang. In een studentenhuis is het in je persoonlijke belang om de afwas in de ‘fusie’ te laten staan zodat een ander het doet, maar als iedereen dat doet, krijgt iedereen er last van. Op je werk hoef je op niemand te wachten wanneer je als laatste bij een overleg aanschuift, maar als iedereen dat doet, kan het overleg nooit beginnen. Vissers willen veel vis vangen, maar als ze dat allemaal doen, raakt de vis op.
Kenmerk van een sociaal dilemma is dat een keus voor individueel belang het meest oplevert, maar als iedereen kiest voor individueel belang, is dat schadelijk voor het collectief en lijdt iedereen verlies. Zo ver komt het vaak niet, want er zijn altijd mensen met plichtsbesef, moreel gevoel, een coöperatieve of vooruitdenkende geest – in sociale-dilemma-taal heten ze suckers – die kiezen voor het collectief: ze doen de afwas, verschijnen als eerste op de vergadering en beperken hun visvangst. Evenzo zijn er ook altijd mensen die daar misbruik van maken – de zogenoemde free riders – hetgeen extra voordeel oplevert: als iedereen zich aan vangstquota houdt en één groepslid niet, vangt die ene extra veel vis. Het benadelen van het collectief levert dus groot persoonlijk voordeel op. Dit persoonlijke voordeel, samen met de angst om de sukkel te zijn die door anderen wordt geëxploiteerd, verklaart waarom free rider-gedrag zoveel voorkomt.
In een kleine hechte groep, waar de gevolgen van je gedrag voor het collectief direct zichtbaar zijn en je anderen niet wilt benadelen, gedragen mensen zich coöperatief. De logica is evident: als je de groep benadeelt, is dat slecht voor iedereen, dus uiteindelijk ook voor jezelf. Maar hoe groter en minder hecht het collectief, des te minder zichtbaar zijn de gevolgen van individuele keuzes. Persoonlijk belang krijgt de overhand, en dat is in onze samenleving regelmatig te zien. Denk aan mensen die de trein in stappen voordat anderen eruit zijn, of die weigeren hun organen te doneren na hun dood zonder afstand te doen van het recht zelf een orgaan te ontvangen.
Daar komt bij dat door grootschaligheid de relatie van het individu tot de benadeelde diffuus wordt. Een schrijnend voorbeeld vind ik onze totaal uit de hand gelopen bio-industrie, die elke vleeseter in stand helpt houden. Ik hoor vleeseters weleens zeggen dat het ‘gewoon lekker’ en ‘heel natuurlijk’ is, maar ik denk eerlijk gezegd dat geen zinnig mens die goed kijkt wat voorafgaat aan een stukje vlees dit serieus kan menen. Daarbij denk ik niet alleen aan biggetjes van een paar weken oud die bij hun moeder en hun groep worden weggehaald, aan boeren die oorbeschermers dragen als ze biggen castreren wegens het gekrijs, aan spartelende kuikentjes die van een lopende band worden geplukt en in een krat gesmeten, of aan kippen die te zwaar zijn om op hun poten te staan, opgestapeld in kratten. Ik denk er ook aan dat 80% van het landbouwareaal wordt gebruikt voor veehouderij en de helft van de wereldgraanvoorziening opgaat aan ons vee, dat het goeddeels omzet in poep die bossen, bodem en grondwater vervuilt; en dat de bio-industrie zoveel CO2 en (nog schadelijker) CH4 uitstoot dat we in een klap alle klimaatdoelstellingen voor particulieren halen als we allemaal slechts een dag geen vlees zouden eten. Als dat niet een uitweg is uit het sociale dilemma dat klimaatverandering heet! – het sociale dilemma dat we met z’n allen creëren door ‘lekker’, ‘makkelijk’ en ‘goedkoop’ te laten prevaleren boven de derde wereld, het milieu en dierenwelzijn.
Overigens ben ik vegetariër. Wat jij doet moet je zelf weten. Maar weet dat je als vleeseter bij de mega-free riders van de wereld hoort – in gezelschap van vele andere uitvreters die hun persoonlijk belang ook zo belangrijk vinden. Laat dat maar een troost voor je zijn.
* Dit artikel is eerder verschenen in Intermediair en staat tevens in Ego's en andere ongemakken.