Je bent hier:

Integriteit:

Over politici, polderen en principes

Roos Vonk, juli 2010

Bij het lezen van het verhaal over de gevolgen van de BP-ramp in de VS, dacht ik: Ik ben blij dat Obama daar nu president is. Want ik gelóóf hem als hij zegt dat hij het erg vindt en er alles aan doet. De indruk dat hij het meent, stelt me gerust dat hij werkelijk gemotiveerd is hard te werken aan een oplossing en toekomstige olierampen te voorkomen. Dat zou anders geweest zijn met Bush. Die zou óók gezegd hebben “het is vreselijk” en “ik doe er alles aan”, maar je zou het gevoel hebben dat hij dat wel moest zeggen: ‘going through the motions’ van de bezorgde, zich verantwoordelijk voelende president, in plaats van bezorgd zíjn.

Ook met onze politieke leiders zou het zo zijn. Als dit in Nederland gebeurde, dan zou Rutte of Verhagen ook zeggen “het is vreselijk” en “dit mag nooit meer gebeuren”, maar zouden we ook geloven dat ze dat inderdaad zo ervaren? Ik niet. Wat ‘ze’ ervaren, naar mijn indruk, is: Wat hoor ik te zeggen als leider; welke woorden sluiten aan bij hoe het publiek dit ervaart; hoe kan ik overkomen als een leider die verantwoordelijkheid neemt; en kan ik de standpunten van mijn partij nog ergens kwijt in mijn reactie?

In Nederland zijn er voor ambtenaren cursussen en regels over integriteit, maar in wezen is dit de kern, en die is moelijk te vatten in regels. Als het CDA bij de verkiezingen gehalveerd wordt, neemt men dat heel serieus en zegt: we hebben het contact met de kiezer verloren en moeten dat herstellen. Anders gezegd: we moeten er achter komen wat de kiezer graag wil en daar moeten we op inspelen. Bijvoorbeeld de hypotheekrenteaftrek handhaven (CDA), of niet morrelen aan de AOW-leeftijd (PVV), of geen kilometerheffing (VVD). Zo dient elke partij de belangen van haar achterban. Maar dat heeft helemaal niets te maken met de essentie van leiderschap: een visie op de toekomst neerzetten en mensen daarin meenemen zelfs als dat op korte termijn offers van hen vraagt. Dat krijg je alleen voor elkaar als men absoluut overtuigd is van je integriteit. Dan gaan mensen verder kijken dan hun neus lang is, dan gaan de neuzen dezelfde kant op wijzen en gaan mensen weer geloven in idealen die verder reiken dan hun eigen koopkrachtplaatje.

In Nederland zijn we gewend te polderen. Politieke leiders zoeken oplossingen waarmee ze iedereen te vriend houden. Dat roept vragen op: waar sta je nou eigenlijk voor?

 Als reactie daarop nemen politici af en toe opeens onwrikbare of gedurfde posities in. Denk aan Balkenende's hypotheekrente als breekpunt, en Rutte's toepassing van de vrijheid van meningsuiting die zo consequent was dat ontkenning van Jodenvergassing er ook onder viel. Het is alsof ze daarmee willen zeggen: 'Kijk eens, ik heb ook heus wel principes.'

 Maar dat zijn geen principes, het zijn puntjes om te scoren. Als principes strategische instrumenten worden, staat het paard achter de wagen.

Het probleem van te weinig geloofwaardigheid kun je niet oplossen door naar buiten te kijken om te zien wat op anderen geloofwaardig overkomt of wat het publiek graag wil horen, maar alleen door naar binnen te kijken: waar geloof ík in? Waar is het mij om te doen, wat vind ik zó belangrijk dat ik er pal voor sta, ook als het lastig wordt? Wat is heilig voor me? Als je dat weet, hoef je nooit te twijfelen aan je eigen geloofwaardigheid. Als je dat uit, ben je integer en hoeven anderen evenmin te twijfelen waar het je nou echt om te doen is. Dan kun je op andere fronten naar hartenlust polderen, je welwillendheid tonen en het benodigde sociaal kapitaal beschermen, zonder dat mensen vergeten waar je voor staat.