Je bent hier:
Doe maar gewoon:
over onnodig moeilijk taalgebruik
Roos Vonk*
“De zelfversterkende rol van affect kan worden verklaard door de selectieve activatie en verhoogde toegankelijkheid van stemmingscongruente cognities.” Bent u er nog? Deze zin staat in een psychologieboek. Er had ook kunnen staan: “Als je een bepaald gevoel hebt, gaat dit vaak zichzelf versterken. Dit komt doordat je meer gedachten en herinneringen hebt die passen bij je gevoelens. Ben je bijvoorbeeld boos, dan heb je eerder negatieve herinneringen over diegene en je zult diens gedrag negatief interpreteren. Daarmee gaat de boosheid zichzelf versterken.”
Hier staat ongeveer hetzelfde. Bij welke versie vind je de schrijver nu het meest intelligent? Deskundig? Wees eerlijk!
Dan moet je toegeven dat de eerste versie intelligenter overkomt. Het lijkt alsof de schrijver het veel preciezer weet. De tweede versie lijkt over iets gewoons te gaan, iets wat iedereen snapt. Toch getuigt dat juist van meer intelligentie, vind ik. Om het zo te vertellen dat iedereen het begrijpt moet je het écht snappen, je moet erboven staan. Als je die extra stap niet kunt nemen, is je wereld kleiner.
Dat is nog de meest welwillende interpretatie. Want het is ook vaak zo dat mensen moeilijk doen omdat ze zelf niet goed weten waar ze het over hebben – wat nog werkt ook, want anderen laten zich intimideren en zeggen niet “Wat bedoel je nou eigenlijk?”; en als ze dat al wel doen gaat de spreker zuchten, zo van “dat is te ingewikkeld om aan jou uit te leggen” en voelt de ander zich nóg dommer.
Ik dacht hieraan toen ik in de krant een verhaal over emoties las, waarin een collega-psycholoog werd aangehaald. Hij had het over ‘cognitieve fusie’. Daar bedoelde hij mee: als je heftige emoties hebt, kun je niet meer helder of redelijk denken. En hij zei dat je dan aan ‘responspreventie’ moet doen. Daar bedoelde hij mee: niet gelijk reageren, maar even wachten tot het over is. Nu kende ik die termen alleen in een totaal andere betekenis, dus ik neem aan dat hij ze speciaal voor dit verhaal heeft bedacht, om er een moeilijk woord bij te hebben.
Terwijl ik me daaraan zat te ergeren, realiseerde ik me opeens dat ‘de mensen’ (jij dus) dat ook wíllen. Soms gebruik ik in een lezing of workshop een woord, gewoon om maar even een woord te hebben, bijvoorbeeld ‘uitzoomen’: dingen in een wat ruimer perspectief zien. Dan merk ik vaak dat het publiek zich daar helemaal op stort, zich eraan vastklampt: “Als je nou zegt, ‘morgen is er weer een dag’, is dat dan ook uitzoomen? En als ik mezelf dan zo stampvoetend zie zitten, doe ik het dan goed? Maar wat is nou het verschil tussen uitzoomen en relativeren? Uitzoomen is meer spiritueel hè, is dat nou beter?”
Dan denk ik “Weet ik veel, het is maar een woord hoor”, maar dan is het al te laat. Mensen willen die woorden graag hebben als houvast. Alsof je er meer greep op hebt door een woord. En hoe moeilijker het woord, hoe meer ze het idee hebben dat het over iets belangrijks gaat.
Dus al dat interessanterige gedoe roep je zelf over je af! Als je nou voortaan bij moeilijke woorden gewoon zegt “pardon?” in plaats van “poe zeg, wat interessant!” dan is het gauw afgelopen met die poeha.
* Deze column is verschenen in
Psychologie Magazine.