Je bent hier:
Keuzestress,
en de brug tussen wetenschap en alledaagse ervaring
Roos Vonk
Ik heb twee banen; één in de ivoren toren als wetenschapper, de andere in de ‘echte’ wereld als toepasser. Ik figureer vaak als brug. Maar de bewoners van beide werelden begrijpen niets van elkaar. Dat brengt mij in een spagaat. Zo heb ik herhaaldelijk meegemaakt dat iemand met wie ik voor het eerst uitging opeens argwanend zei: “Ik zit nu zeker in een onderzoek over de eerste indruk?” Uit zo’n vraag spreekt de nodige ijdelheid – de betrokkene vindt zichzelf kennelijk een interessant onderzoeksobject –, maar stuitender vind ik de veronderstelling dat ik op zo’n halfbakken manier onderzoek zou doen: in een café, met een steekproef van 1, met mezelf als stimulusmateriaal, observator én belanghebbende.
In de ivoren toren is iedere vierkante millimeter van onmetelijk belang. In de buitenwereld willen mensen met grote stappen snel thuis zijn. Men ziet graag lijstjes met ‘how to’s’, terwijl wetenschappers menen dat die geen recht doen aan de diepte van hun gedachten. Maar op hun beurt laten zij zich geregeld door hapklare-brokken-grage journalisten verleiden tot nieuwswaardige uitspraken die de beperkingen van hun bevindingen ver te buiten gaan.
Dat is vaak de enige manier om indruk te maken. Mijn vak, de sociale psychologie, gaat over het gewone leven, dus iedereen kan erover meepraten. Als ik uitspraken van leken in twijfel trek (Nee, het is niet zo dat tegenpolen elkaar aantrekken, of dat brainstormen in een groep iets oplevert, of dat je je agressie kwijt raakt met een boksbal of een oerschreeuw), zeggen mensen vaak: “Bij mij werkt dat toch anders.” Oftewel: dat onderzoeksresultaat geldt niet voor mij. Of ze vinden dat het onderzoek niet goed is gedaan.
Je hebt als wetenschapper geen enkel gezag! Ofwel het is niet waar, ofwel ze wisten het al (“Dat had ik je ook kunnen vertellen! Hebben we daar dat onderzoek voor nodig?”). Onlangs werd dit geïllustreerd in Intermediair. Volgens onderzoek kunnen mensen stress, spijt, onzekerheid en ander ongemak krijgen van veel keuzevrijheid. Kun je bijvoorbeeld kiezen uit 25 soorten jam, dan verwacht je dat je nu wel echt de superjam van je leven buit gaat maken; je wikt en weegt, pakt iets op, legt het weer terug, en uiteindelijk koop je maar niks of je gaat naar huis met de knagende twijfel dat je misschien iets beters had kunnen hebben. Mensen die kiezen uit 5 soorten jam, doen eerder een aankoop en zijn er tevredener mee. Iets vergelijkbaars geldt voor pensioenen, banen, auto’s en liefdespartners.
Er zijn diverse onderzoeken die dit illustreren. Maar de Intermediair-columnist had zelf iets meegemaakt waarmee hij al dat onderzoek in één klap onderuit haalt. Hij is een keer op vakantie geweest in A en een keer in M. In A kon hij kiezen uit 15 geweldige auto’s, in M had hij geen keus en moest genoegen nemen met een klein stinkend barrel. In A was hij veel gelukkiger. Voilà, het bewijs. Geleverd in een onderzoek met 1 deelnemer die zelf toevallig ook de onderzoeker was, met twee volstrekt onvergelijkbare keuze-situaties: nog los van wegen, weer en vakantieaktiviteiten was de gemiddelde kwaliteit van het wagenpark in M beduidend lager dan in A.
Maar zelfs als dat allemaal dik in orde was; dan nog zou de individuele ervaring niets betekenen. Het gaat om de vraag of mensen bij een groot keuze-aanbod gemiddeld minder vaak iets kiezen en ontevredener zijn. (Als ik zeg dat mannen langer zijn dan vrouwen zeg je toch ook niet: Onzin, ik ben een vrouw en ik ben langer dan mijn buurman – zie column
Statistiek) Zo werkt het in de sociale wetenschappen, omdat niets voor iedereen en altijd en overal geldt. Behalve misschien dit: De eigen individuele ervaringen lijken oneindig veel geloofwaardiger en betekenisvoller dan de statistische gegevens van duizenden anderen. Maar ze zíjn het niet.
* Deze column is verschenen in Intermediair.