GOEDDOENERS

Waarom vinden we do-gooders irritant? | Volkskrant 11 januari 2019

sigmund heilig boontje

Ze worden vaak bewonderd en geprezen: mensen die niet de gemakkelijke, meegaande weg kiezen maar tegen de verdrukking in trouw blijven aan hun waarden; die spelbreker durven zijn waar de meesten gedachteloos meebewegen over de gebaande paden. Denk aan jurylid nummer 8 in Twelve Angry Men, die tegen de elf anderen ingaat. Of aan de minderheid van deelnemers in de beroemde Milgram-experimenten, die weigerde een ander een gevaarlijke schok te geven ondanks druk van de onderzoeker. We hebben vaak respect voor deze mensen die autonomie tonen en persoonlijke verantwoordelijkheid nemen voor hun keuzes. En we hopen dat wij dat ook zouden doen.

Toch worden deze zogenoemde do-gooders – door onderzoekers morele rebellen of morele weigeraars genoemd – ook vaak uitgesproken negatief beoordeeld. Het zijn spelbedervers, deugmensen. Deelnemers die in het Milgram-experiment gehoorzaam hadden meegewerkt en achteraf hoorden over de weigeraars, zeiden soms enigszins verontwaardigd: ‘Als iedereen zo moeilijk doet kan de onderzoeker z’n werk niet doen.’ Een heel ander voorbeeld is de reactie op mensen die tijdens een etentje een gerecht weigeren omdat het klimaat- of dieronvriendelijk is: ongezellig, star, dat ene gerechtje geeft toch niks?

Betweterig

Waarom vinden we morele weigeraars vaak irritant en betweterig? Het voor de hand liggende antwoord is dat ze dat dan ook zijn: dat ze anderen de les lezen, vol zijn van hun eigen gelijk, de waarheid in pacht menen te hebben. Zelfs ik, als flexinist (vegetariër op weg naar veganisme) erger me soms aan veganisten die meteen hun oordeel paraat hebben over alles wat niet-vegan is. Het roept bij mij de behoefte op hun absolute waarheden te relativeren en hen te betrappen op iets wat zijzelf niet goed doen. Op mijn beurt heb ik natuurlijk ook de nodige vleeseters in het harnas gejaagd door erop te hameren dat vlees eten puur egoïstisch is.

Toch blijkt uit onderzoek dat we morele weigeraars ook zien als pedante betweters wanneer ze helemaal niets doen of zeggen wat daarop wijst. Enkel het feit dat ze die morele principiële keus maken, wekt irritatie. Dat heeft alles te maken met onze eigen keuzes. Stel je een vergadering voor waar een leidinggevende een racistische grap maakt. Er wordt wat gegniffeld, wat ongemakkelijk geschoven en dan gaat het overleg verder. Totdat een collega zegt: ‘Wacht even, ik vind dat zo’n grap echt niet kan’ – en er een pijnlijke stilte valt. Kijk je hiernaar als buitenstaander, dan neem je waarschijnlijk je petje af voor die collega. Maar zit je daar zelf en heb je de grap zojuist laten passeren, dan zul je eerder denken: ach, zo erg was het ook weer niet; moeten we daar nou onze kostbare tijd aan besteden? Dan vind je die collega eerder een zeur, een moraalridder.

Onder gecontroleerde omstandigheden hebben Stanford-onderzoekers aangetoond dat morele weigeraars positiever werden beoordeeld door buitenstaanders (deelnemers die zelf niet in de situatie betrokken waren) dan door deelnemers die zelf de situatie hadden meegemaakt en die – zoals bijna iedereen – de meegaande, makkelijke keus maakten. In de rol van buitenstaander beoordeelde men de weigeraar als onafhankelijk, sterk, eerlijk, intelligent en volwassen. Heel anders dan deelnemers die vlak daarvoor waren meegegaan in datgene waartegen de weigeraar zich principieel verzette; zij zagen de weigeraar vaker als koppig, betweterig, overgevoelig en vooringenomen.

De irritatie blijkt samen te hangen met het gevoel van mensen dat de weigeraar negatief zou oordelen over hen. Die collega die het overleg onderbreekt om de racistische grap aan de kaak te stellen, zegt niet uitsluitend iets over de grap. Impliciet zegt hij ook iets over iedereen die zweeg, namelijk: je bent verkeerd bezig als je dit soort grappen laat passeren. Zelfs als hij dat niet zegt, zelfs als hij dat niet eens dénkt, wordt het wel zo opgevat. In vervolgonderzoek lieten de Stanford-onderzoekers zien: mensen hebben het gevoel dat de morele weigeraar hun gedrag zou afkeuren en dat speelt een rol in hun negatieve beoordeling.

Ego

De meeste mensen zien zichzelf als bovengemiddeld moreel. Door het gedrag van de do-gooder komt dat zelfbeeld onder druk te staan. Het voelt alsof hij (of zij) zegt dat zij moreel minder zijn. Dat roept een defensieve behoefte op om het eigen ego te beschermen en de ander af te kraken. Mensen kunnen dat op verschillende manieren doen.

Een populaire strategie is de moraliteit en de ware motieven van de ander in twijfel trekken: de politiek correcte Gutmensch wil ‘puntjes scoren’, anderen inwrijven dat ze minder zijn, of is hypocriet want is zelf geen haar beter. Denk aan de triomfantelijke constatering van de vleeseter die een vegetariër 'betrapt' op het dragen van leren schoenen; of aan de reacties van velen op de scholieren die deelnamen aan de klimaatmars: hun motieven werden in twijfel getrokken (ze wilden 'gewoon een dagje vrij van school', ze waren 'opgejut door volwassenen') en er werd gehoond dat sommigen na afloop een hamburger aten. Een andere methode is het deuggedrag wegwuiven als onnozel, naïef en niet realistisch (‘alsof je met dat vegetarische hapje de wereld gaat redden’). In beide gevallen wordt de goeddoener gedegradeerd en negatief beoordeeld: hetzij als betweterig en hypocriet, hetzij als dom en wereldvreemd.

Van belang is dat dit een reactie is op het eigen onbewuste gevoel dat men tekortschiet: mensen doen het ook als de morele rebel geen woord zegt over hun gedrag. Hun gevoel dat de rebel hen negatief beoordeelt, klopt ook vaak niet. Dat bleek onder meer uit onderzoek naar de reacties van vleeseters op vegetariërs. Negatieve ideeën over vegetariërs (zoals zelfingenomen, drammerig, radicaal) werden met name door vleeseters van stal gehaald wanneer ze stilstonden bij de vraag wat een vegetariër van hen zou vinden. Hoe meer ze dachten dat vegetariërs geen hoge pet op hadden van hun moraliteit, des te negatiever oordeelden ze. In werkelijkheid bleek dat vegetariërs, hoewel ze niet positief dachten over de moraliteit van vleeseters, minder negatief waren dan vleeseters dachten. Het is morele weigeraars gewoonlijk te doen om de ‘zaak’ (bijvoorbeeld dierenleed, milieu of klimaat). Maar voor de meegaande meerderheid voelt het alsof ze hun superioriteit willen demonstreren. De wrevel daarover is dus voornamelijk het gevolg van het eigen gevoel van tekortschieten.

Zorgwekkende spiraal

Het jammere is dat die negatieve beoordeling doorwerkt in hoe men over het onderwerp zelf denkt. Als je je suf ergert aan de betweterigheid van vegetariërs, heb je helemaal geen zin om zelf minder vlees te eten. Dit effect werd gedemonstreerd in consumentenonderzoek over een ander moreel thema, wilful ignorance: jezelf onwetend houden over de negatieve gevolgen van je keuzes, bijvoorbeeld dierenleed of klimaatverandering door de veehouderij, kinderarbeid of milieueffecten bij de productie van kleding. Iedereen kan die informatie opzoeken, maar de meeste mensen vermijden dat; ze denken liever niet aan de keerzijde van hun aankopen. In het onderzoek wilden de meeste deelnemers liever geïnformeerd worden over de levertijd of de wassing van een spijkerbroek dan over de arbeidsomstandigheden. Een fictieve andere deelnemer die deze informatie wel opvroeg, werd door hen beoordeeld als onaantrekkelijk, saai en prekerig. Die negatieve beoordeling had tot gevolg, zo bleek, dat deze deelnemers ook minder belang hechtten aan de arbeidsomstandigheden bij kledingproductie en minder boos waren over kinderarbeid. In een vervolgonderzoek naar de aankoop van rugzakken werd hetzelfde gevonden. Iemand die informatie opvroeg over het gebruik van recyclebare materialen, werd gedevalueerd door deelnemers die zelf deze informatie hadden genegeerd. Het directe gevolg hiervan was dat deze deelnemers daarna minder bereid waren tot het tekenen van een “Think Green Pledge” waarin ze beloofden voortaan duurzame aankopen te doen.

Kortom: nadat men de boodschapper heeft neergeschoten, gaat men ook op de boodschap schieten. Het neerhalen van goeddoeners kan dus tot gevolg hebben dat mensen zichzelf dieper ingraven in hun weerstand tegen een goede zaak. De paradox is dat dit níet komt doordat ze de ethische waarden van de goeddoener flauwekul vinden. Integendeel: het morele voorbeeld is juist bedreigend voor hun ego ómdat ze die waarden delen. Om die dreiging af te wenden, degraderen ze de goeddoener. Dat leidt ertoe dat ze de zaak minder belangrijk vinden, hetgeen weer tot gevolg heeft dat ze bij een volgende gelegenheid opnieuw niet de ethische keuze maken – en dus in strijd met hun éigen morele waarden handelen. Een zorgwekkende spiraal.

Anderen inspireren

Een belangrijke vraag is dan ook: hoe kunnen we devaluatie van morele weigeraars voorkomen? Wanneer zij juist als moreel voorbeeld worden gezien, kunnen ze anderen inspireren om ook trouw te zijn aan hun waarden. Als het probleem voornamelijk in het hoofd van de ontvanger zit, zoals uit het onderzoek blijkt, zit daar ook de oplossing. Dat maakt het nog niet eenvoudig, want het ego is een oersterke drijfveer en mensen zijn zich er zelf totaal niet van bewust.

Maar goeddoeners kunnen er wel rekening mee houden. Ze kunnen zelfs het hele probleem omzeilen door de morele motieven voor hun keuze te verbergen. Als een vegetariër bijvoorbeeld zegt dat hij om gezondheidsredenen geen vlees eet, voelen vleeseters zich niet bedreigd en wordt de vegetariër niet gedegradeerd, bleek uit Leids onderzoek. Er zijn vegetariërs die deze strategie werkelijk hanteren als ze onder carnivoren zijn, om wrijving te voorkomen. Ze ontkomen hiermee aan een negatieve beoordeling, maar zullen verder weinig invloed hebben. Voor de goede zaak is juist het uitspreken van de morele motivatie belangrijk, want mensen willen wel degelijk morele keuzes maken, en het kan ook helpen om de normen in een samenleving te verschuiven, zegt onderzoeker Jan Willem Bolderdijk in een interview.*

De cruciale factor in de devaluatie van deugmensen is het gevoel dat men in hun ogen tekortschiet, ook als dat gevoel niet klopt. Als goeddoener kun je anderen dus alleen inspireren wanneer je weet te voorkomen dat je dat gevoel oproept. In een Zondag met Lubach-uitzending over vlees presenteerde Arjen Lubach zichzelf als ‘Team Vlees’: hij hield van vlees, hij was er vóór, waarmee hij meteen de afstand tussen zichzelf en de vleeseter verkleinde. Maar, vervolgde hij, veel informatie over de nadelen van vlees hadden we voorheen nog niet; nu we die wel hebben, moeten we onze keus opnieuw bezien. Met zo’n uitspraak voelen vleeseters zich minder veroordeeld: ze hadden immers nog niet alle relevante informatie toen ze hun keus maakten. Een andere strategie is dat je een goed excuus aandraagt voor de niet-morele keus. Bijvoorbeeld: vroeger waren er nog geen goede vleesvervangers, die zijn er nu wel.

Hoewel de weerstand tegen morele rebellen voornamelijk ontstaat tussen de oren van de ontvanger, kunnen zij dus wel psychologische concessies doen om het ego van de ontvanger te sparen. Dat kan helpen om de sympathie voor henzelf en daarmee ook voor hun zaak te winnen.

Maar als we ons beeld van onszelf als moreel goede mensen serieus nemen, is er aan de kant van de ontvanger ook werk aan de winkel: wanneer iemands morele superioriteit je zo irriteert, zou dat altijd aanleiding moeten zijn om in de spiegel te kijken. Mogelijk zie je dan dat het je eigen geweten is waar je last van hebt.


*‘Soms houden “heilige boontjes” juist hun mond om op die manier sociale frictie met hun omgeving te voorkomen. Wij ontdekten bijvoorbeeld dat sommige vegetariërs zwijgen over hun overtuigingen om maar niet in een ongemakkelijke discussie te belanden.’